Beoordelingskader verkrachting

Verkrachting is strafbaar gesteld in art. 242 Wetboek van Strafrecht (Sr.). Bij verkrachting gaat het om door geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid een ander dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

De letterlijke tekst van de delictsomschrijving van art. 242 Sr. is:

"Hij die door geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid iemand dwingt tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, wordt als schuldig aan verkrachting gestraft..."

Seksueel binnendringen

Bij verkrachting moet bewezen worden dat het lichaam van de ander seksueel is binnengedrongen. Het gaat dan om het vaginaal, oraal. of anaal binnendringen van het lichaam. Ieder binnendringen met een seksuele strekking is strafbaar, met uitzondering van de opgedrongen tongzoen. Van vaginaal binnendringen is al sprake wanneer tijdens de handeling de kleine schaamlippen worden gepasseerd.

Ook wanneer de verdachte en/of het slachtoffer niet bepaalde seksuele gevoelens heeft ervaren, kan de handeling toch worden beschouwd als seksueel binnendringen (HR 2 mei 1995, NJ 1995, 583).

Het seksueel binnendringen kan hebben plaatsgevonden met de penis, met de vingers, met de tong, maar ook met een voorwerp.

Alleen de uitwendige aanraking van de vagina, de lippen of de billen, levert geen seksueel binnendringen op.

Dwang en dwangmiddelen

Van verkrachting is alleen sprake indien het lichaam van de ander seksueel is binnengedrongen met toepassing van geweld, of een andere feitelijkheid, of bedreiging daarmee. Het gaat erom dat er dwang is gebruikt om het lichaam van de ander seksueel binnen te dringen. Om van dwang in de zin van artikel 242 Sr. te kunnen spreken, moeten er aan bepaalde voorwaarden zijn voldaan:

  1. De eerste noodzakelijke voorwaarde voor de dwang in de zin van artikel 242 Sr is de onvrijwilligheid. Daarbij gaat het om de ten tijde van de ontuchtige handelingen door het slachtoffer besefte onvrijwilligheid. Dwang moet als dwang worden ervaren en wel op het moment van handelen zelf. Hieruit volgt dat van onvrijwilligheid geen sprake kan zijn als het meisje de ontuchtige handelingen op dat moment niet heeft gemerkt. Wie niets heeft gemerkt, kan ook niet zijn gedwongen. Ook niet als het slachtoffer, pas achteraf kennis nemend van die ontuchtige handelingen, verklaart deze niet te hebben gewild. Daarnaast is vereist dat de onvrijwilligheid gericht was op de ontuchtige handelingen. Het slachtoffer moet de seksuele handelingen (de ontucht) niet gewild hebben.
  2. Tweede voorwaarde om van dwang in de zin van artikel 242 Sr te kunnen spreken is de onvermijdelijkheid. Daarvan is sprake als het slachtoffer redelijkerwijs niets anders kon doen dan de handelingen te dulden en zij zich niet of alleen heel moeilijk aan de situatie kon onttrekken. Dwangmiddelen moeten van een voldoende kaliber zijn om van dwang te kunnen spreken.
  3. Derde voorwaarde voor de dwang is de opzet van verdachte op de dwang. Van dwingen kan slechts sprake zijn als verdachte opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer de ontuchtige handelingen tegen haar wil heeft ondergaan. Ook bij voorwaardelijk opzet, waarbij verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer de handelingen tegen haar wil ondergaat, is er sprake van opzet op de dwang.

Het toegepaste geweld dient van voldoende kaliber te zijn om de weerstand van het slachtoffer te breken. Het enkel met kracht in de vagina brengen van het mannelijk geslachtsdeel, is daartoe onvoldoende (HR 9 april 2002, NJ 2002, 441), tenzij dit onverhoeds gebeurd (HR 16 november 2004, LJN: AR3040).Het enkel bestaan van een afhankelijkheidsrelatie is onvoldoende om van dwang te kunnen spreken (HR 2 december 2003, NJ NJ 2004, 78).

Strafbare dwang bij verkrachting en ontucht

Andere feitelijkheden

Artikel 242 Sr noemt als dwangmiddelen niet alleen geweld en bedreiging met geweld, maar ook (bedreiging met) ‘andere feitelijkheden’. Een voorbeeld van zo’n feitelijkheid is psychisch of fysiek overwicht. Volgens vaste jurisprudentie kan het bestaan van dwang echter niet enkel worden afgeleid uit het bestaan van een afhankelijkheidsrelatie en daarmee verband houdend psychisch overwicht. Zo’n afhankelijkheidsrelatie en psychisch overwicht zegt iets over de beïnvloedbaarheid, maar zegt op zichzelf niets over de mate waarin het slachtoffer onvrijwillig handelt. Wil men daarover meer duidelijkheid krijgen dan moet worden gekeken naar factoren die binnen die afhankelijkheidsrelatie eenduidig wijzen op onvrijwilligheid. Uit de gebezigde bewijsmiddelen zal duidelijk moeten blijken dat deze door het slachtoffer op het moment van handelen van de verdachte als dwingend zijn ervaren.

In feite gaat het om een bij het slachtoffer aanwezige onmacht om zich te verzetten, die door de verdachte wordt veroorzaakt. Voorbeelden van deze andere feitelijkheden zijn onder andere een overwicht qua sterkte of aantal personen, de dreiging van iemand die onder invloed van alcohol of drugs is, het afsluiten van een deur. De feitelijkheid moet wel zo bedreigend zijn dat het slachtoffer er ook echt gedwongen wordt, en geen weerstand kan bieden.

In de jurisprudentie komen we onder andere volgende voorbeelden tegen van andere feitelijkheden:

  • Dwingend gebieden door een arts in en spreekkamer om gebukt te gaan staan (HR 18 februari 1997, NJ 1997, 485)
  • Het dreigen van openbaarmaking van naaktfoto's (Rb 's-Hertogenbosch, 5 december 2008, LJN: BG6094).
  • Het besturen van een auto tijdens rijlessen (HR 20 april 1999, NJ 1999, 512)

Geen seksuele gedragingen ander

Seksuele handelingen die zijn gepleegd door een ander dan degene die de dwang heeft uitgeoefend, kunnen geen verkrachting in de zin van art.
242 Sr opleveren, Vgl. Hof Arnhem 29 maart 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BL9510 en Hof Den Haag 9 december 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BV8955, met een beroep op het Pollepel‐arrest. In zijn uitdrukking ‘gepleegd door een ander dan degene die de dwang heeft uitgeoefend’ legt de Hoge Raad het ‘plegen’ klaarblijkelijk zeer beperkt uit. Een functionele uitleg van ‘plegen’ (middellijk plegen c.q. doen plegen) valt er niet onder. Immers, het feit dat de handeling van het slachtoffer in direct verband stond met de uitgeoefende dwang door de verdachte, maakt het in de ogen van de Hoge Raad nog geen seksuele handeling ‘gepleegd door’ de dwinger. Dit leidt tot de gevolgtrekking dat degene die wordt gedwongen seksueel binnen te dringen bij degene die de dwang uitoefent, strafrechtelijk gezien geen slachtoffer is van verkrachting. Dit geldt eveneens voor twee personen die door een derde worden gedwongen bij elkaar
binnen te dringen.
Voorts lijkt ook het gedwongen worden tot het zich laten penetreren door een dier of tot het pijpen van een dier eveneens geen verkrachting te kunnen opleveren, tenzij de dwinger het dier hierbij zodanig leidt dat van ‘plegen’ in de hiervoor bedoelde zin kan worden gesproken, zie HR 2 mei 1995, NJ 1995/583 en vgl. voorts Rb. Leeuwarden 7 oktober 2008, ECLI:NL:RBLEE:2008:BF7034.

Bij deze zaken bestond het seksueel binnendringen hieruit dat de verdachte de anus van het slachtoffer had gepenetreerd met stukken gereedschap
respectievelijk met een bevroren frikandel. Opgemerkt zij dat deze zaken zijn gewezen vóór het Tongzoen II‐arrest (HR 12 maart 2013, NJ 2013/437 m.nt. N. Keijzer). In laatstgenoemd arrest is de aard van het ‘seksueel binnendringen’ beperkt, in zoverre dat handelingen niet meer een ‘seksueel binnendringen’ in de zin van de wet kunnen opleveren zolang deze in redelijkheid niet op één lijn kunnen worden gesteld met geslachtsgemeenschap of een wat betreft de ernst van de inbreuk op de seksuele integriteit daarmee vergelijkbare gedraging. In de rede ligt niettemin dat het door de verdachte penetreren van de anus van het slachtoffer met stukken gereedschap dan wel met een bevroren frikandel ook aan dit Tongzoen II‐criterium voldoet, zodat het Tongzoen II‐arrest geen verandering heeft gebracht in de status van de genoemde voorbeelden. 

Voor zaken waarin dwang tot het dulden van penetrerende bestialiteit als aanranding (art. 246 Sr) is vervolgd en bestraft, zie o.m. HR 20 januari 1998, NJ 1998/337 (Bestialiteit) en HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1317 (Kraggenburg).

Samenvattend kan er in de volgende gevallen in beginsel geen sprake zijn van strafbare verkrachting:

  • iemand dwingen tot het verrichten van een binnendringen bij zichzelf,
  • iemand dwingen tot het binnendringen bij een ander, en iemand dwingen tot
  • het ondergaan van een binnendringen door een ander dan de dwinger of door en dier.

Bewijs en geloofwaardigheid en betrouwbaarheid verklaringen

In zedenzaken waar het gaat om de verdenking van verkrachting, zal met name de beoordeling en waardering van het bewijs een belangrijke rol spelen in het strafproces. Is er voldoende wettig bewijs? Is het bewijs ook overtuigend? Zijn de verklaringen van de aangever/aangeefster ook geloofwaardig en betrouwbaar? Zitten er geen tegenstrijdigheden of onjuistheden in de afgelegde verklaringen? Omdat het bewijs en de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid zo'n belangrijke rol spelen in zedenzaken, hebben wij hier een apart hoofdstuk aan gewijd.

> Meer informatie over het bewijs

Deel deze paginaShare on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden