Wet beperking taakstraffen voor zedenzaken

Op 3 januari 2012 is de Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met het beperken van de mogelijkheden om een taakstraf op te leggen voor ernstige zeden- en geweldsmisdrijven en bij recidive van misdrijven in werking getreden, ook wel de Wet beperking taakstraffen genoemd.

Overgangsrecht

Bij wet van 17 november 2011 tot wijziging van het WvSr i.v.m. het beperken van de mogelijkheden om een taakstraf op te leggen voor ernstige zeden- en geweldsmisdrijven en bij recidive van misdrijven (Stb. 2012, 1, inwerkingtreding 3 januari 2012) is art. 22b Sr opnieuw ingevoegd. Die wet bevat in art. II een bepaling van overgangsrecht, inhoudende dat de wet geen gevolgen heeft voor feiten die zijn begaan voor de inwerkingtreding van die wet (zie HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:186.

Gevallen

De Wet beperkingen taakstraffen houdt in dat in bepaalde in artikel 22b Wetboek van Strafrecht (Sr.) genoemde gevallen geen kale taakstraf mag worden opgelegd door een rechter. De taakstraf kan in die gevallen alleen door de rechter worden opgelegd in combinatie met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Art. 22b Sr. noemt de volgende gevallen:

  • Bij bezit, vervaardigen, en verkopen kinderporno (240b), bewegen van een minderjarige tot ontuchtige handelingen (248a Sr.), het hebben van seks met een minderjarige prostituee (248b Sr.), het opzettelijk aanwezig zijn bij ontucht met een minderjarige (248c Sr.), teweegbrengen of bevorderen ontucht met kind (art. 250 Sr).
  • Bij ernstige misdrijven, waar een maximum gevangenisstraf van 6 jaar of meer op is gesteld en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad.

In de memorie van toelichting is te lezen dat deze criteria moeten voorkomen dat voor ernstige zeden- en geweldsmisdrijven een taakstraf wordt opgelegd.

Het formele criterium (het wettelijke strafmaximum van 6 jaar of meer) wordt ingevuld door de straf die in de delictsomschrijving staat aangegeven. Strafverminderende omstandigheden zoals poging of deelneming zijn niet van invloed op het strafmaximum. De meeste zedendelicten voldoen aan het formele criterium, met uitzondering van schennis van de eerbaarheid (art. 239 Sr.), het corrumperen van kinderen (art. 248d Sr.), het vertonen van schadelijke afbeelding (art. 240 Sr.), grooming (art 248e Sr).

Het materiële criterium (ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit) staat in het teken van de gevolgen die het gepleegde misdrijf heeft gehad. Bij zedenmisdrijven is in beginsel steeds sprake van een inbreuk op de lichamelijke integriteit. De ernst van de inbreuk op de lichamelijke integriteit is bepalend voor de mogelijkheid om een taakstraf op te leggen. In de memorie van toelichting is een aantal voorbeelden opgenomen die dienen ter verduidelijking van dit criterium.-

Uitzondering

Hiervan kan alleen worden afgeweken indien naast de taakstraf een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd.

In de praktijk blijkt dat rechters helemaal niet blij zijn met de Wet beperking taakstraffen. Rechters zijn op voorstel van een advocaat regelmatig bereid om binnen de kaders van de wet creatief om te gaan met de wet, zodat ze toch maatwerk kunnen leveren. Wij kunnen de volgende tips geven:

  • Hebt u als verdachte in voorarrest gezeten, dan is er niets aan de hand. U krijgt dan een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, en verder een werkstraf.
  • Bij bijzondere persoonlijke omstandigheden, first offenders, etc. wil de rechter nog wel eens de wet naast zich neerleggen, zo ook de rechtbank Zeeland West-Brabant in een zedenzaak, met een minderjarige verdachte met de nodige problematiek (uitspraak)
Deel deze paginaShare on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden